fbpx

Nadat ik het verdriet en de woede over deze ultieme afwijzing verwerkt had (lees: ze achter een dam in mijn hoofd gemetseld had) restte opluchting. Opluchting dat ik nooit meer naar ze toe hoefde. Opluchting dat ik hen niet meer bij mij thuis hoefde uit te nodigen voor wat dan ook. Opluchting dat ik nu ontspannen Moederdag en Kerst kon vieren met alleen mijn eigen gezin. Niet meer opzitten en pootjes geven en constant op je hoede zijn. Niet meer denken: “Laat ik voor de lieve vrede mijn mond maar houden.”.

Opluchting dat ze me niet meer zouden kunnen kwetsen. Maar nu de jaren verstrijken en mijn ouders bejaard raken, hoor ik steeds vaker een stemmetje in mijn hoofd. Van de plichtsgetrouwe, naar erkenning hunkerende jongere ik : “Moet je het echt niet nog één keer proberen goed te maken? Want wat als ze overlijden? Dan is het te laat. En wat als je dan ontzettend spijt krijgt? Kan je daar dan mee leven? Het zijn natuurlijk wel je ouders …. ”.

Vooral die laatste zit er goed in geramd bij mij. Het Heilige Moeten. De Bloedband met een hoofdletter. Mijn huidige ik, de volwassen vrouw en moeder, weet het antwoord wel: “Nee! Je doet het niet! Je zult wéér gekwetst worden, dat weet je toch? Laat het zoals het is, het is goed zo.”.

Maar mijn jonge ik is als een Sirene. Ik kan niet niet naar haar luisteren.

Lees deel 14

Deel 12 gemist? Lees deze hier verder!